Cees Dekker | De Bruinvisch
Man en schip
Door Gijs van Hesteren
“Ik zag al die oude vrachtschepen verdwijnen. Een wereld die niet meer terugkomt. Rijen dik lagen ze bij de sloop. Er moest er op z’n minst één bewaard blijven, in de oorspronkelijke functie: zeilend vrachtschip.” Cees Dekker spreekt over zijn dektjalk ‘Bruinvisch’. Het is intussen 53 jaar geleden dat hij kennismaakte met het schip. We kunnen ons intussen afvragen: wie van de twee is nu het belangrijkste maritieme monument? Het schip of de schipper?
“Toen ik het kocht was ik 21 jaar oud. Mijn hele leven heeft daarna in het teken gestaan van de Bruinvisch. Als het schip nog bestaat als ik tachtig ben, is mijn leven de moeite waard geweest. Dat was wat ik toen dacht.”
Zodra Cees Dekker spreekt over zijn schip leeft hij op. “Terugkijkend denk ik dat ik het goed heb gedaan. Maar nu de leeftijd om te stoppen naderbij komt – Cees is nu 76 – ben ik bezorgd. Hoe laat ik het schip achter? Wie helpt het verder door de tijd?”
Cees heeft in ieder geval gedaan wat hij kon. Hij kwam eind jaren zeventig naar Harlingen, het Wad. Daar was het originele vaargebied van de Bruinvisch. In 1902 liep de tjalk van stapel bij de werf van de gebroeders Draaisma te Franeker. Opdrachtgever en schipper Meine Huizinga voer met schelpen en vee.
Veertig koeien
Cees: “Met veertig koeien voer Huizinga van de waddeneilanden naar de veemarkt in Purmerend. Die beesten wogen met elkaar dertig ton. De bouwer kon de belijning zo maken dat ze vooral snel was; dat was precies de belading waarbij zo’n tjalk het beste zeilde.”
Cees geloofde in behoud van oude functies. Behalve met passagiers voer hij vanuit Harlingen en Franeker ook met vrachtjes schelpen, vanuit Workum met stront en bloembollen, naar Vlieland met bouwmaterialen voor het eerste huis naast de coupure.
“Voor mij hoorde het schip thuis in zijn oude omgeving, toegerust voor zijn oude doel. Kort na de Napoleontische tijd schreef en tekende de Harlinger F.M. van Loon ‘Beschouwing van den Nederlandschen scheepsbouw’. Een baanbrekend boek, onder andere voor de rompvorm van Nederlandse vrachtschepen. Driekwart eeuw later paste Scheepswerf Draaisma zijn bevindingen nog steeds toe, ook op de Bruinvisch. Daarom zeilt het schip snel en gemakkelijk – en wat is het leuk, dat er ook na zoveel jaren verbindingen blijken te bestaan tussen Harlingen en Franeker.”
Lamme arm
Intussen vaart de tjalk bijna al langer onder zeil in de passagiersvaart dan ooit als vrachtschip. Cees: “In 1930 kwam de eerste motor aan boord, een ‘liggende Deutz met lamme arm’. De motor stond op het voordek, met langszij het schip een lange schroefas. Na de oorlog klaagden de losploegen in de Zeeuwse bietenvaart over de dekmotor en het voor de zeilerij benodigde lage mastdek. ‘We lossen alleen als dat eruit gaat’, mopperden ze. Daarom kwam er in 1950 een machinekamer, met daarin een eencilinder Kromhout uit 1917.”
Anno nu wordt de Bruinvisch aangedreven door de laatste nog werkende Kromhout in de beroepsvaart. Als vrachtschip vervoerde de Bruinvisch naast het al genoemde vee en de schelpen onder meer turf uit Drenthe, stront en aardappelen uit Friesland, verder hout, ansjovis, bieten, lood en ijzer.
In de jaren zestig begon een periode van grote veranderingen in de scheepvaart. Door schaalvergroting werden de oude voormalige zeilschepen opgelegd, gesloopt of ingezet als woonschip. Zo kwam de Bruinvisch bij Cees Dekker terecht. Hij was een van de eerste bruinevlootschippers in Harlingen. De combinatie Dekker-Bruinvisch werd in de jaren daarna een begrip op het Wad. Nu loopt die periode onafwendbaar ten einde.
Toekomst voor het verleden
Cees verzucht: “Misschien kan ik het schip nalaten aan een behoudsorganisatie. Wie pakt de draad op, met respect voor de historie? Is er nog een toekomst voor het verleden?”
De Bruinvisch is nog steeds te huur als charterschip. Wie met Cees meezeilt ondergaat een bijzondere en vooral authentieke ervaring.
Info: www.bruinvisch.com